Door Scholieren.com te bezoeken geef je toestemming voor het gebruik van cookies. Ben je onder de 16? Zorg dan dat je toestemming van je ouders hebt om onze site te bezoeken. Lees meer over je privacy (voor het laatst bijgewerkt op 25 mei 2018). Akkoord Instellingen aanpassen

Het laatste examennieuws, de beste samenvattingen en uitlegvideo's per vak, tips om je optimaal voor te bereiden.



 





Alles over de eindexamens Alles over het CSE

Samenvatting woordsoorten klas 2 Nederlands

Nederlands

Samenvatting

Nieuw Nederlands

6.2 / 10
2e klas vwo
  • Zwemke
  • Nederlands
  • 308 woorden
  • 1555 keer
    1 deze maand
  • 11 februari 2014

Lidwoord
Woord dat voor een zelfstandig naamwoord staat. De en het noemen we bepaalde lidwoorden. Een noemen we onbepaald lidwoord.
Let op: als het niet voor een zelfstandig naamwoord staat is het geen lidwoord! Bijvoorbeeld: Het is mooi weer. In dat geval is het een onbepaald voornaamwoord.
 

zelfstandig naamwoord
Naam voor een mens, dier, plant, ding of gevoel.
Ook eigennamen zijn zelfstandige naamwoorden.
 

bijvoeglijk naamwoord
Woord dat wat zegt over een zelfstandig naamwoord.
 

zelfstandig werkwoord
Werkwoord met een duidelijke, vaste betekenis.
 

hulpwerkwoord
Werkwoord zonder duidelijke, vaste betekenis. Komt voor in een zin met meer dan een werkwoord en helpt om het gezegde te maken.
 

koppelwerkwoord
zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen (heten, dunken, voorkomen)
 

persoonlijk voornaamwoord
Duidt iets of iemand aan.
 

bezittelijk voornaamwoord
Geeft aan van wie iets is.
 

wederkerend voornaamwoord
Komt voor bij een wederkerend werkwoord. Het onderwerp keer nog een keer “weder” (terug) in de zin.
Voorbeeld: ik schaam me, hij wast zich
 

wederkerig voornaamwoord
elkaar
 

aanwijzend voornaamwoord
Gebruik je als je iets aanwijst.
deze, die, dit, dat, zulk(e), zo’n, dergelijke(e)
 

vragend voornaamwoord
Staat meestal aan het begin van een vraag.
wie, welk(e), wat voor (een)
 

onbepaald voornaamwoord
Duidt iemand of iets aan, maar zegt niet precies over wie of wat het gaat.
iemand, niemand, iedereen, men, menigeen, het, iets, niets, alles, iedere, elke, menige, wat, zekere, een of andere
Let op:
1. Het woord ‘je’ is onbep.vnw als het ‘men’ betekent.
2. Het woord ‘wat’ is onbep. vnw als het ‘iets’ betekent.
3. Het woord ‘het’ is onbep. vnw als het nergens naar verwijs, maar tijd, weer of sfeer aangeeft.
 

voorzetsel
Kort woord dat plaats, tijd of reden/oorzaak aangeeft.
 

bepaald hoofdtelwoord
Precies aantal of hoeveelheid
 

onbepaald hoofdtelwoord
Onduidelijk aantal of hoeveelheid
 

bepaald rangtelwoord
Precieze plaats in de rij
 

onbepaald rangtelwoord
Onduidelijke plaats in de rij
 

bijwoord
Een bijwoordelijke bepaling die uit een woord bestaat.
 

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

voeg reactie toe

6936

reacties

mwa
door meghan (reageren) op 28 maart 2018 om 8:47

Welkom!

Goed dat je er bent. Scholieren.com is de plek waar scholieren elkaar helpen. Al onze informatie is gratis en openbaar. Met een profiel kun je méér:

snel zien welke verslagen je hebt bekeken
de verslagen die je liket terugvinden
snel uploaden en reacties achterlaten

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer