Door Scholieren.com te bezoeken geef je toestemming voor het gebruik van cookies. Ben je onder de 16? Zorg dan dat je toestemming van je ouders hebt om onze site te bezoeken. Lees meer over je privacy (voor het laatst bijgewerkt op 25 mei 2018). Akkoord Instellingen aanpassen

Vervoegingen onregelmatige werkwoorden

Frans

Opdracht

Onregelmatige werkwoorden

7.3 / 10
3e klas vwo
  • Philippa
  • Nederlands
  • 5463 woorden
  • 174273 keer
    1 deze maand
  • 21 juni 2004
Onregelmatige ww op -er

Avoir = Hebben

Present
J’ai = ik heb
Tu as = jij hebt
Il a = hij heeft
Elle a = zij heeft
On a = men heeft
Nous avons = wij hebben
Vous avez = jullie hebben / u heeft
Ils ont = zij hebben
Elles ont = zij hebben

Passe Compose
J’ai eu = ik heb gehad
Tu as eu = jij hebt gehad
Il a eu = hij heeft gehad
Elle a eu = zij heeft gehad
On a eu = men heeft gehad
Nous avons eu = wij hebben gehad
Vous avez eu = jullie hebben gehad / u hebt gehad
Ils ont eu = zij hebben gehad
Elles ont eu = zij hebben gehad

Futur
J’aurai = Ik zal hebben
Tu auras = Jij zult hebben
Il aura = Hij zal hebben
Elle aura = Zij zal hebben
On aura = Men zal hebben
Nous aurons = Wij zullen hebben
Vous aurez = Jullie zullen hebben/u zult hebben
Ils/Elles auront = Zij zullen hebben

Être = zijn

Present
Je suis = ik ben
Tu es = jij bent
Il est = hij is
Elle est = zij is
On est = men is
Nous sommes = wij zijn
Vous êtes = jullie zijn / u bent
Ils sont = zij zijn
Elles sont = zij zijn

Passe compose
J’ai été = ik ben geweest
Tu as été = jij bent geweest
Il a été = hij is geweest
Elle a été = zij is geweest
On a été = men is geweest
Nous avons été = wij zijn geweest
Vous avez été = jullie zijn geweest / u bent geweest
Ils ont été = zij zijn geweest
Elles ont été = zij zijn geweest

Futur
Je serai = ik zal zijn
Tu seras = jij zult zijn
Il sera = hij zal zijn
Elle sera = zij zal zijn
On sera = men zal zijn
Nous serons = wij zullen zijn
Vous serez = jullie zullen zijn/u zult zijn
Ils/elles seront = Zij zullen zijn
Aller = gaan

Present
Je vais = ik ga
Tu vas = jij gaat
Il va = hij gaat
Elle va = zij gaat
On va = men gaat
Nous allons = wij gaan
Vous allez = jullie gaan / u gaat
Ils vont = zij gaan
Elles vont = zij gaan

Passe Compose
Je suis allé(e) = ik ben gegaan
Tu es allé(e) = jij bent gegaan
Il est allé = hij is gegaan
Elle est allée = zij is gegaan
On est allé = men is gegaan
Nous sommes allé(e)s = wij zijn gegaan
Vous êtes allé(e)(s) = jullie zijn gegaan / u bent gegaan
Ils sont allés = zij zijn gegaan
Elles sont allées = zij zijn gegaan

Futur
J’irai = ik zal gaan
Tu iras = jij zult gaan
Il ira = hij zal gaan
Elle ira = zij zal gaan
On ira = men zal gaan
Nous irons = wij zullen gaan
Vous irez = jullie zullen gaan/ u zult gaan
Ils/elles iront = zij zullen gaan

Faire = maken, doen

Present
Je fais = ik doe
Tu fais = jij doet
Il fait = hij doet
Elle fait = zij doet
On fait = men doet
Nous faisons = wij doen
Vous faites = jullie doen / u doet
Ils font = zij doen
Elles font = zij doen

Passe Compose
J’ai fait = ik heb gedaan
Tu as fait = jij hebt gedaan
Il a fait = hij heeft gedaan
Elle a fait = zij heeft gedaan
On a fait = men heeft gedaan
Nous avons fait = wij hebben gedaan
Vous avez fait = jullie hebben gedaan / u hebt gedaan
Ils ont fait = zij hebben gedaan
Elles ont fait = zij hebben gedaan

Futur
Je ferai = ik zal doen
Tu feras = jij zult doen
Il fera = hij zal doen
Elle fera = zij zal doen
On fera = men zal doen
Nous ferons = wij zullen doen
Vous ferez = jullie zullen doen/ u zult doen
Ils/elles feront = zij zullen doen

Prendre = nemen

Present
Je prends = ik neem
Tu prends = jij neemt
Il prend = hij neemt
Elle prend = zij neemt
On prend = men neemt
Nous prenons = wij nemen
Vous prenez = jullie nemen / u neemt
Ils prennent = zij nemen
Elles prennent = zij nemen

Passe Compose
J’ai pris = ik heb genomen
Tu as pris = jij hebt genomen
Il a pris = hij heeft genomen
Elle a pris = zij heeft genomen
On a pris = men heeft genomen
Nous avons pris = wij hebben genomen
Vous avez pris = jullie hebben genomen / u hebt genomen
Ils ont pris = zij hebben genomen
Elles ont pris = zij hebben genomen

Futur
Je prendrai = ik zal nemen
Tu prendras = jij zult nemen
Il prendra = hij zal nemen
Elle prendra = zij zal nemen
On prendra = men zal nemen
Nous prendrons = wij zullen nemen
Vous prendrez = jullie zullen nemen/ u zult nemen
Ils/elles prendront = zij zullen nemen

Venir = komen

Present
Je viens = ik kom
Tu viens = jij komt
Il vient = hij komt
Elle vient = zij komt
On vient = men komt
Nous venons = wij komen
Vous venez = jullie komen / u komt
Ils viennent = zij komen
Elles viennent = zij komen

Passe Compose
Je suis venu = ik ben gekomen
Tu es venu = jij bent gekomen
Il est venu = hij is gekomen
Elle est venu = zij is gekomen
On est venu = men is gekomen
Nous sommes venu = wij zijn gekomen
Vous êtes venu = jullie zijn gekomen / u bent gekomen
Ils sont venu = zij zijn gekomen
Elles sont venu = zij zijn gekomen

Futur
Je viendrai = ik zal komen
Tu viendras = jij zal komen
Il viendra = hij zal komen
Elle viendra = zij zal komen
On viendra = men zal komen
Nous viendrons = wij zullen komen
Vous viendrez = jullie zullen komen/ u zult komen
Ils/elles viendront = zij zullen komen

Connaitre
Present
Je connais = ik ken
Tu connais = jij kent
Il connait = hij kent
Elle connait = zij kent
On connait = men kent
Nous connaissons = wij kennen
Vous connaissez = jullie kennen / u kent
Ils connaissent = zij kennen
Elles connaissent = zij kennen

Passe Compose
J’ai connu = ik heb gekend
Tu as connu = jij hebt gekend
Il a connu = hij heeft gekend
Elle a connu = zij heeft gekend
On a connu = men heeft gekend
Nous avons connu = wij hebben gekend
Vous avez connu = jullie hebben gekend / u hebt gekend
Ils ont connu = zij hebben gekend
Elles ont connu = zij hebben gekend

Futur
Je connaîtrai = ik zal kennen
Tu connaîtras = jij zult kennen
Il connaîtra = hij zal kennen
Elle connaîtra = zij zal kennen
On connaîtra = men zal kennen
Nous connaîtrons = wij zullen kennen
Vous connaîtrez = jullie zullen kennen/ u zult kennen
Ils/elles connaîtront = zij zullen kennen

Onregelmatige ww op –re

Perdre = verliezen

Present
Je perds = ik verlies
Tu perds = jij verliest
Il perd = hij verliest
Elle perd = zij verliest
On perd = men verliest
Nous perdons = wij verliezen
Vous perdez = jullie verliezen / u verliest
Ils perdent = zij verliezen
Elles perdent = zij verliezen

Passe Compose
J’ai perdu = ik heb verloren
Tu as perdu = jij hebt verloren
Il a perdu = hij heeft verloren
Elle a perdu = zij heeft verloren
On a perdu = men heeft verloren
Nous avons perdu = wij hebben verloren
Vous avez perdu = jullie hebben verloren / u hebt verloren
Ils ont perdu = zij hebben verloren
Elles ont perdu = zij hebben verloren

Futur
Je perdrai = ik zal verliezen
Tu perdras = jij zult verliezen
Il perdra = hij zal verliezen
Elle perdra = zij zal verliezen
On perdra = men zal verliezen
Nous perdrons = wij zullen verliezen
Vous perdrez = jullie zullen verliezen/ u zult verliezen
Ils/elles perdront = zij zullen verliezen

Entendre = horen

Present
J’entends = ik hoor
Tu entends = jij hoort
Il entend = hij hoort
Elle entend = zij hoort
On entend = men hoort
Nous entendons = wij horen
Vous entendez = jullie horen / u hoort
Ils entendent = zij horen
Elles entendent = zij horen

Passe Compose
J’ai entendu = ik heb gehoord
Tu as entendu = jij hebt gehoord
Il a entendu = hij heeft gehoord
Elle a entendu = zij heeft gehoord
On a entendu = men heeft gehoord
Nous avons entendu = wij hebben gehoord
Vous avez entendu = jullie hebben gehoord / u hebt gehoord
Ils ont entendu = zij hebben gehoord
Elles ont entendu = zij hebben gehoord

Futur
J’entendrai = ik zal horen
Tu entendras = jij zult horen
Il entendra = hij zal horen
Elle entendra = zij zal horen
On entendra = men zal horen
Nous entendrons = wij zullen horen
Vous entendrez = jullie zullen horen/ u zult horen
Ils/elles entendront = zij zullen horen

Vendre = verkopen

Present
Je vends = ik verkoop
Tu vends = jij verkoopt
Il vend = hij verkoopt
Elle vend = zij verkoopt
On vend = men verkoopt
Nous vendons = wij kopen
Vous vendez = jullie kopen / u koopt
Ils vendent = zij kopen
Elles vendent = zij kopen

Passe Compose
J’ai vendu = ik heb verkocht
Tu as vendu = jij hebt verkocht
Il a vendu = hij heeft verkocht
Elle a vendu = zij heeft verkocht
On a vendu = men heeft verkocht
Nous avons vendu = wij hebben verkocht
Vous avez vendu = jullie hebben verkocht / u hebt verkocht
Ils ont vendu = zij hebben verkocht
Elles ont vendu = zij hebben verkocht

Futur
Je vendrai = ik zal verkopen
Tu vendras = jij zult verkopen
Il vendra = hij zal verkopen
Elle vendra = zij zal verkopen
On vendra = men zal verkopen
Nous vendrons = wij zullen verkopen
Vous vendrez = jullie zullen verkopen/u zult verkopen
Ils/elles vendront = zij zullen verkopen

Attendre = wachten op

Present
J’attends = ik wacht op
Tu attends = jij wacht op
Il attend = hij wacht op
Elle attend = zij wacht op
On attend = men wacht op
Nous attendons = wij wachten op
Vous attendez = jullie wachten op / u wacht op
Ils attendent = zij wachten op
Elles attendent = zij wachten op

Passe Compose
J’ai attendu = ik heb gewacht op
Tu as attendu = jij hebt gewacht op
Il a attendu = hij heeft gewacht op
Elle a attendu = zij heeft gewacht op
On a attendu = men heeft gewacht op
Nous avons attendu = wij hebben gewacht op
Vous avez attendu = jullie hebben gewacht op / u hebt gewacht op
Ils ont attendu = zij hebben gewacht op
Elles ont attendu = zij hebben gewacht op

Futur
J’attendrai = ik zal wachten op
Tu attendras = jij zult wachten op
Il attendra = hij zal wachten op
Elle attendra = zij zal wachten op
On attendra = men zal wachten op
Nous attendrons = wij zullen wachten op
Vous attendrez = jullie zullen wachten op/u zult wachten op
Ils/elles attendront = zij zullen wachten op

Repondre = antwoorden

Present
Je reponds = ik antwoord
Tu reponds = jij antwoord
Il repond = hij antwoordt
Elle repond = zij antwoordt
On repond = men antwoordt
Nous repondons = wij antwoorden
Vous repondez = jullie antwoorden / u antwoordt
Ils repondent = zij antwoorden
Elles repondent = zij antwoorden

Passe Compose
J’ai repondu = ik heb geantwoord
Tu as repondu = jij hebt geantwoord
Il a repondu = hij heeft geantwoord
Elle a repondu = zij heeft geantwoord
On a repondu = men heeft geantwoord
Nous avons repondu = wij hebben geantwoord
Vous avez repondu = jullie hebben geantwoord / u hebt geantwoord
Ils ont repondu = zij hebben geantwoord
Elles ont repondu = zij hebben geantwoord

Futur
Je repondrai = ik zal antwoorden
Tu repondrais = jij zult antwoorden
Il repondra = hij zal antwoorden
Elle repondra = zij zal antwoorden
On repondra = men zal antwoorden
Nous repondrons = wij zullen antwoorden
Vous repondrez = jullie zullen antwoorden/u zult antwoorden
Ils/elles repondront = zij zullen antwoorden

Descendre = uitstappen, naar beneden gaan

Present
Je descends = ik stap uit
Tu descends = jij stapt uit
Il descend = hij stapt uit
Elle descend = zij stapt uit
On descend = men stapt uit
Nous descendons = wij stappen uit
Vous descendez = jullie stappen uit / u stapt uit
Ils descendent = zij stappen uit
Elles descendent = zij stappen uit

Passe compose
Je suis descendu = ik ben uitgestapt
Tu es descendu = jij bent uitgestapt
Il est descendu = hij is uitgestapt
Elle est descendu = zij is uitgestapt
On est descendu = men is uitgestapt
Nous sommes descendu = wij zijn uitgestapt
Vous êtes descendu = jullie zijn uitgestapt/u bent uitgestapt
Ils/elles sont descendu = zij zijn uitgestapt

Futur
Je descendrai = ik zal uitstappen
Tu descendras = jij zal uitstappen
Il descendra = hij zal uitstappen
Elle descendra = zij zal uitstappen
On descendra = men zal uitstappen
Nous descendrons = wij zullen uitstappen
Vous descendrez = jullie zullen uitstappen/ u zal uitstappen
Ils/elles descendont = zij zullen uitstappen

Savoir = weten

Present
Je sais = ik weet
Tu sais = jij weet
Il sait = hij weet
Elle sait = zij weet
On sait = men weet
Nous savons = wij weten
Vous savez = jullie weten / u weet
Ils savent = zij weten
Elles savent = zij weten

Passe Compose
J’ai su = ik heb geweten
Tu as su = jij hebt geweten
Il a su = hij heeft geweten
Elle a su = zij heeft geweten
On a su = men heeft geweten
Nous avons su = wij hebben geweten
Vous avez su = jullie hebben geweten / u heeft geweten
Ils ont su = zij hebben geweten
Elles ont su = zij hebben geweten

Futur
Je savoirai = ik zal weten
Tu savoiras = jij zult weten
Il savoira = hij zal weten
Elle savoira = zij zal weten
On savoira = men zal weten
Nous savoirons = wij zullen weten
Vous savoirez = jullie zullen weten
Ils/elles savoiront = zij zullen weten

Pouvoir = kunnen, mogen

Present
Je peux = ik kan
Tu peux = jij kunt
Il peut = hij kan
Elle peut = zij kan
On peut = men kan
Nous pouvons = wij kunnen
Vous pouvez = jullie kunnen
Ils peuvent = zij kunnen
Elles peuvent = zij kunnen

Passe Compose
J’ai pu = ik heb gekund
Tu as pu = jij hebt gekund
Il a pu = hij heeft gekund
Elle a pu = zij heeft gekund
On a pu = men heeft gekund
Nous avons pu = wij hebben gekund
Vous avez pu = jullie hebben gekund / u hebt gekund
Ils ont pu = zij hebben gekund
Elles ont pu = zij hebben gekund

Futur
Je pourrai = ik zal kunnen
Tu pourras = jij zult kunnen
Il pourra = hij zal kunnen
Elle pourra = zij zal kunnen
On pourra = men zal kunnen
Nous pourrons = wij zullen kunnen
Vous pourrez = jullie zullen kunnen
Ils/elles pourront = zij zullen kunnen

Finir = eindigen

Present
Je finis = ik eindig
Tu finis = jij eindigt
Il finit = hij eindigt
Elle finit = zij eindigt
On finit = men eindigt
Nous finissons = wij eindigen
Vous finissez = jullie eindigen / u eindigt
Ils finissent = zij eindigen
Elles finissent = zij eindigen

Passe Compose
J’ai fini = ik heb beëindigd
Tu as fini = jij hebt beëindigd
Il a fini = hij heeft beëindigd
Elle a fini = zij heeft beëindigd
On a fini = men heeft beëindigd
Nous avons fini = wij hebben beëindigd
Vous avez fini = jullie hebben beëindigd / u hebt beëindigd
Ils ont fini = zij hebben beëindigd
Elles ont fini = zij hebben beëindigd

Futur
Je finirai = ik zal beëindigen
Tu finiras = jij zal beëindigen
Il finira = hij zal beëindigen
Elle finira = zij zal beëindigen
On finira = men zal beëindigen
Nous finirons = wij zullen beëindigen
Vous finirez = jullie zullen beëindigen/ u zult beëindigen
Ils/elles finiront = zij zullen beëindigen

Partir = vertrekken

Present
Je pars = ik vertrek
Tu pars = jij vertrekt
Il part = hij vertrekt
Elle part = zij vertrekt
On part = men vertrekt
Nous partons = wij vertrekken
Vous partez = jullie vertrekken / u vertrekt
Ils partent = zij vertrekken
Elles partent = zij vertrekken

Passe Compose
Je suis parti(e) = ik ben vertrokken
Tu es parti(e) = jij bent vertrokken
Il est parti(e) = hij is vertrokken
Elle est parti(e) = zij is vertrokken
On est parti(e) = men is vertrokken
Nous sommes parti(e)s = wij zijn vertrokken
Vous êtes parti(e)(s) = jullie zijn vertrokken / u bent vertrokken
Ils sont parti(e)s = zij zijn vertrokken
Elles sont parti(e)s = zij zijn vertrokken

Futur
Je partirai = ik zal vertrekken
Tu partiras = jij zult vertrekken
Il partira = hij zal vertrekken
Elle partira = zij zal vertrekken
On partira = men zal vertrekken
Nous partirons = wij zullen vertrekken
Vous partirez = jullie zullen vertrekken/u zult vertrekken
Ils/elles partiront = zij zullen vertrekken

Vouloir = willen

Present
Je veux = ik wil
Tu veux = jij wilt
Il veut = hij wil
Elle veut = zij wil
On veut = men wil
Nous voulons = wij willen
Vous voulez = jullie willen / u wilt
Ils veulent = zij willen
Elles veulent = zij willen

Passe Compose
J’ai voulu = ik heb gewild
Tu as voulu = jij hebt gewild
Il a voulu = hij heeft gewild
Elle a voulu = zij heeft gewild
On a voulu = men heeft gewild
Nous avons voulu = wij hebben gewild
Vous avez voulu = jullie hebben gewild / u hebt gewild
Ils ont voulu = zij hebben gewild
Elles ont voulu = zij hebben gewild

Futur
Je voudrai = ik zal willen
Tu voudras = jij zal willen
Il voudra = hij zal willen
Elle voudra = zij zal willen
On voudra = men zal willen
Nous voudrons = wij zullen willen
Vous voudrez = jullie zullen willen/u zult willen
Ils/elles voudront = zij zullen willen

Garder = Houden/passen op

Present
Je garde = ik pas op
Tu gardes = jij past op
Il garde = hij past op
Elle garde = zij past op
On garde = men past op
Nous gardons = wij passen op
Vous gardez = jullie passen op/ u past op
Ils/elles gardent = zij passen op

Passe Compose
J’ai gardé = ik heb opgepast
Tu as gardé = jij hebt opgepast
Il a gardé = hij heeft opgepast
Elle a gardé = zij heeft opgepast
On a gardé = men heeft opgepast
Nous avons gardé = wij hebben opgepast
Vous avez gardé = jullie hebben opgepast/ u heeft opgepast
Ils/elles ont gardé = zij hebben opgepast

Futur
Je garderai = ik zal oppassen
Tu garderas = jij zult oppassen
Il gardera = hij zal oppassen
Elle gardera = zij zal oppassen
On gardera = men zal oppassen
Nous garderons = wij zullen oppassen
Vous garderez = jullie zullen oppassen/ u zult oppassen
Ils/elles garderont = zij zullen oppassen

Sortir = uitgaan

Present
Je sors = ik ga uit
Tu sors = jij gaat uit
Il sort = hij gaat uit
Elle sort = zij gaat uit
On sort = men gaat uit
Nous sortons = wij gaan uit
Vous sortez = jullie gaan uit/ u gaat uit
Ils/elles sortent = zij gaan uit

Passe Compose
Je suis sorti = ik ben uitgegaan
Tu est sorti = jij bent uitgegaan
Il est sorti = hij is uitgegaan
Elle est sorti = zij is uitgegaan
On est sorti = men is uitgegaan
Nous sommes sorti = wij zijn uitgegaan
Vous êtes sorti = jullie zijn uitgegaan/ u bent uitgegaan
Ils/elles sont sorti = zij zijn uitgegaan

Futur
Je sortirai = ik zal uitgaan
Tu sortiras = jij zult uitgaan
Il sortira = hij zal uitgaan
Elle sortira = zij zal uitgaan
On sortira = men zal uitgaan
Nous sortirons = wij zullen uitgaan
Vous sortirez = jullie zullen uitgaan/ u zult uitgaan
Ils/elles sortiront = zij zullen uitgaan

Finir = eindigen, afmaken

Present
Je finis = ik maak af
Tu finis = jij maakt af
Il finit = hij maakt af
Elle finit = zij maakt af
On finit = men maakt af
Nous finissons = wij maken af
Vous finissez = jullie maken af/ u maakt af
Ils/elles finissent = zij maken af

Passe Compose
J’ai fini = ik heb afgemaakt
Tu as fini = jij hebt afgemaakt
Il a fini = hij heeft afgemaakt
Elle a fini = zij heeft afgemaakt
On a fini = men heeft afgemaakt
Nous avons fini = wij hebben afgemaakt
Vous avez fini = jullie hebben afgemaakt/ u heeft afgemaakt
Ils/elles ont fini = zij hebben afgemaakt

Futur
Je finirai = ik zal afmaken
Tu finiras = jij zal afmaken
Il finira = hij zal afmaken
Elle finira = zij zal afmaken
On finira = men zal afmaken
Nous finirons = wij zullen afmaken
Vous finirez = jullie zullen afmaken/ u zult afgemaakt
Ils/elles finiront = zij zullen afmaken

Choisir = kiezen

Present
Je choisis = ik kies
Tu choisis = jij kiest
Il choisit = hij kiest
Elle choisit = zij kiest
On choisit = men kiest
Nous choisissons = wij kiezen
Vous choisissez = jullie kiezen / u kiest
Ils/elles choisissent = zij kiezen
Passe Compose
J’ai choisi = ik heb gekozen
Tu as choisi = jij hebt gekozen
Il a choisi = hij heeft gekozen
Elle a choisi = zij heeft gekozen
On a choisi = men heeft gekozen
Nous avons choisi = wij hebben gekozen
Vous avez choisi = jullie hebben gekozen/ u heeft gekozen
Ils/elles choisi = zij hebben gekozen

Futur
Je choisirai = ik zal kiezen
Tu choisiras = jij zult kiezen
Il choisira = hij zal kiezen
Elle choisira = zij zal kiezen
On choisira = men zal kiezen
Nous choisirons = wij zullen kiezen
Vous choisirez = jullie zullen kiezen/ u zult kiezen
Ils/elles choisiront = zij zullen kiezen

Boire = Drinken

Present
Je bois = ik drink
Tu bois = jij drinkt
Il boit = hij drinkt
Elle boit = zij drinkt
On boit = men drinkt
Nous buvons = wij drinken
Vous buvez = jullie drinken/ u drinkt
Ils/elles boivent = zij drinken

Passe Compose
J’ai bu = ik heb gedronken
Tu as bu = jij hebt gedronken
Il a bu = hij heeft gedronken
Elle a bu = zij heeft gedronken
On a bu = men heeft gedronken
Nous avons bu = wij hebben gedronken
Vous avez bu = jullie hebben gedronken/ u heeft gedronken
Ils/elles ont bu = zij hebben gedronken

Futur
Je boirai = ik zal drinken
Tu boiras = jij zult drinken
Il boira = hij zal drinken
Elle boira = zij zal drinken
On boira = men zal drinken
Nous boirons = wij zullen drinken
Vous boirez = jullie zullen drinken/ u zult drinken
Ils/elles boiront = zij zullen drinken

Mettre = zetten, leggen

Present
Je mets = ik zet
Tu mets = jij zet
Il met = hij zet
Elle met = zij zet
On met = men zet
Nous mettons = wij zetten
Vous mettez = jullie zetten/ u zet
Ils/elles mettent = zij zetten

Passe Compose
J’ai mis = ik heb gezet
Tu as mis = jij hebt gezet
Il a mis = hij heeft gezet
Elle a mis = zij heeft gezet
On a mis = men heeft gezet
Nous avons mis = wij hebben gezet
Vous avez mis = jullie hebben gezet/ u hebt gezet
Ils/elles ont mis = zij hebben gezet

Futur
Je mettrai = ik zal zetten
Tu mettras = jij zult zetten
Il mettra = hij zal zetten
Elle mettra = zij zal zetten
On mettra = men zal zetten
Nous mettrons = wij zullen zetten
Vous mettrez = jullie zullen zetten/ u zult zetten
Ils/elles mettront = zij zullen zetten

Devoir = moeten, verschuldigt zijn

Present
Je dois = ik moet
Tu dois = jij moet
Il doit = hij moet
Elle doit = zij moet
On doit = men moet
Nous doivons = wij moeten
Vous doivez = jullie moeten/ u moet
Ils/elles doivent = zij moeten

Passe Compose
J’ai dû = ik moest
Tu as dû = jij moest
Il a dû = hij moest
Elle a dû = zij moest
On a dû = men moest
Nous avons dû = wij moesten
Vous avez dû = jullie moesten/ u moest
Ils/elles ont dû = zij moesten

Futur
Je devoirai = ik zal moeten
Tu devoiras = jij zult moeten
Il devoira = hij zal moeten
Elle devoira = zij zal moeten
On devoira = men zal moeten
Nous devoirons = wij zullen moeten
Vous devoirez = jullie zullen moeten/ u zult moeten
Ils/elles devoiront = zij zullen moeten

Ouvrir = openen

Present
J’ouvre = ik open
Tu ouvres = jij opent
Il ouvre = hij opent
Elle ouvre = zij opent
On ouvre = men opent
Nous ouvrons = wij openen
Vous ouvrez = jullie openen/ u opent
Ils/elles ouvrent = zij openen

Passe Compose
J’ai ouvert = ik heb geopend
Tu as ouvert = jij hebt geopend
Il a ouvert = hij heeft geopend
Elle a ouvert = zij heeft geopend
On a ouvert = men heeft geopend
Nous avons ouvert = wij hebben geopend
Vous avez ouvert = jullie hebben geopend
Ils/elles ont ouvert = zij hebben geopend

Futur
J’ouvrirai = ik zal openen
Tu ouvriras = jij zult openen
Il ouvrira = hij zal openen
Elle ouvrira = zij zal openen
On ouvrira = men zal openen
Nous ouvrirons = wij zullen openen
Vous ouvrirez = jullie zullen openen/ u zult openen
Ils/elles ouvriront = zij zullen openen

Voir = zien

Present
Je vois = ik zie
Tu vois = jij ziet
Il voit = hij ziet
Elle voit = zij ziet
On voit = men ziet
Nous voyons = wij zien
Vous voyez = jullie zien/ u ziet
Ils/elles voient = zij zien

Passe Compose
J’ai vu = ik heb gezien
Tu as vu = jij hebt gezien
Il a vu = hij heeft gezien
Elle a vu = zij heeft gezien
On a vu = men heeft gezien
Nous avons vu = wij hebben gezien
Vous avez vu = jullie hebben gezien/ u heeft gezien
Ils/elles ont vu = zij hebben gezien

Futur
Je verrai = ik zal zien
Tu verras = jij zult zien
Il verra = hij zal zien
Elle verra = zij zal zien
On verra = men zal zien
Nous verrons = wij zullen zien
Vous verrez = jullie zullen zien/ u zult zien
Ils/elles verront = zij zullen zien

Dire = zeggen

Present
Je dis = ik zeg
Tu dis = jij zegt
Il dit = hij zegt
Elle dit = zij zegt
On dit = men zegt
Nous disons = wij zeggen
Vous dites = jullie zeggen/ u zegt
Ils/elles disent = zij zeggen

Passe Compose
J’ai dit = ik heb gezegd
Tu as dit = jij hebt gezegd
Il a dit = hij heeft gezegd
Elle a dit = zij heeft gezegd
On a dit = men heeft gezegd
Nous avons dit = wij hebben gezegd
Vous avez dit = jullie hebben gezegd/ u heeft gezegd
Ils/elles ont dit = zij hebben gezegd

Futur
Je dirai = ik zal zeggen
Tu diras = jij zult zeggen
Il dira = hij zal zeggen
Elle dira = zij zal zeggen
On dira = men zal zeggen
Nous dirons = wij zullen zeggen
Vous direz = jullie zullen zeggen/ u zult zeggen
Ils/elles diront = zij zullen zeggen

Écrire = schrijven

Present
J’écris = ik schrijf
Tu écris = jij schrijft
Il écrit = hij schrijft
Elle écrit = zij schrijft
On écrit = men schrijft
Nous écrions = wij schrijven
Vous écriez = jullie schrijven/ u schrijft
Ils/elles écrient = zij schrijven

Passe Compose
J’ai écrit = ik heb geschreven
Tu as écrit = jij hebt geschreven
Il a écrit = hij heeft geschreven
Elle a écrit = zij heeft geschreven
On a écrit = men heeft geschreven
Nous avons écrit = wij hebben geschreven
Vous avez écrit = jullie hebben geschreven/ u heeft geschreven
Ils/elles ont écrit = zij hebben geschreven

Futur
J’écrirai = ik zal schrijven
Tu écriras = jij zult schrijven
Il écrira = hij zal schrijven
Elle écrira = zij zal schrijven
On écrira = men zal schrijven
Nous écrirons = wij zullen schrijven
Vous écrirez = jullie zullen schrijven/ u zult schrijven
Ils/elles écriront = zij zullen schrijven
Recevoir = ontvangen

Present
Je reçois = ik ontvang
Tu reçois = jij ontvangt
Il reçoit = hij ontvangt
Elle reçoit = zij ontvangt
On reçoit = men ontvangt
Nous reçoivons = wij ontvangen
Vous reçoivez = jullie ontvangen/u ontvangt
Ils/elles reçoivent = zij ontvangen

Passe Compose
J’ai reçu = ik heb ontvangen
Tu as reçu = jij hebt ontvangen
Il a reçu = hij heeft ontvangen
Elle a reçu = zij heeft ontvangen
On a reçu = men heeft ontvangen
Nous avons reçu = wij hebben ontvangen
Vous avez reçu = jullie hebben ontvangen/u heeft ontvangen
Ils/elles ont reçu = zij hebben ontvangen

Futur
Je recevrai = ik zal ontvangen
Tu recevras = jij zult ontvangen
Il recevra = hij zal ontvangen
Elle recevra = zij zal ontvangen
On recevra = men zal ontvangen
Nous recevrons = wij zullen ontvangen
Vous recevrez = jullie zullen ontvangen/u zult ontvangen
Ils/elles recevront = zij zullen ontvangen

Croire = geloven

Present
Je crois = ik geloof
Tu crois = jij gelooft
Il croit = hij gelooft
Elle croit = zij gelooft
On croit = men gelooft
Nous croyons = wij geloven
Vous croyez = jullie geloven/u gelooft
Ils/elles croient = zij geloven

Passe Compose
J’ai cru = ik heb geloofd
Tu as cru = jij hebt geloofd
Il a cru = hij heeft gelood
Elle a cru = zij heeft geloofd
On a cru = men heeft geloofd
Nous avons cru = wij hebben geloofd
Vous avez cru = jullie hebben geloofd/u heeft geloofd
Ils/elles cru = zij hebben geloofd

Futur
Je croirai = ik zal geloven
Tu croiras = jij zult geloven
Il croira = hij zal geloven
Elle croira = zij zal geloven
On croira = men zal geloven
Nous croirons = wij zullen geloven
Vous croirez = jullie zullen geloven/u zult geloven
Ils/elles croirons = zij zullen geloven

Vivre = leven

Present
Je vis = ik leef
Tu vis = jij leeft
Il vit = hij leeft
Elle vit = zij leeft
On vit = men leeft
Nous visons = wij leven
Vous visez = jullie leven/u leeft
Ils/elles visent = zij leven

Passe Compose
J’ai vécu = ik heb geleefd
Tu as vécu = jij hebt geleefd
Il a vécu = hij heeft geleefd
Elle a vécu = zij heeft geleefd
On a vécu = men heeft geleefd
Nous avons vécu = wij hebben geleefd
Vous avez vécu = jullie hebben geleefd/u heeft geleefd
Ils/elles ont vécu = zij hebben geleefd

Futur
Je vivrai = ik zal leven
Tu vivras = jij zult leven
Il vivra = hij zal leven
Elle vivra = zij zal leven
On vivra = men zal leven
Nous vivrons = wij zullen leven
Vous vivrez = jullie zullen leven/u zult leven
Ils/elles vivront = zij zullen leven

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

voeg reactie toe

8716

reacties

Niet zo zeer een fout. Het werkwoord Finir = beëindigen staat er 2 keer in. Greetz, Heinz
door Heinz (reageren) op 6 mei 2009 om 10:50
Er staat een grote fout in u werkstuk. Vouloir in futur is niet 'je vouloirai' maar voudrai. Ik wou het u toch even laten weten.
door Celine Meerpoel (reageren) op 11 december 2009 om 10:01
Sat is niet zo'n grote fout maar het is handig en mooi gedaan
door Alex (reageren) op 2 december 2010 om 22:08
goed werkstuk, alleen jammer dat de imperfair er niet bij staat
door hoi (reageren) op 7 februari 2011 om 17:22
helaas dat de imparfait er niet bij staat en condionnel. Btw het moet zijn voudrais...
door Omar (reageren) op 20 juni 2011 om 22:45
Voor iedereen: Imparfait = nous-vorm - ons + deze uitgangen: Je ...ais Tu ... ais Il ... ait Nous ... ions Vous ... iez Ils ... aient voorbeeld: ik had nous-vorm: nous avons dan - ons = av av + ais = J'avais
door ik (reageren) op 13 november 2011 om 16:49
Ik kon het goed gebruiken!
door Ikke (reageren) op 16 januari 2012 om 20:16
heeei! ik weet niet wie het erop heeft gezet, maar echt super super super erg bedankt! echt toppiee! wel wat foutjes, maar das niet zo erg!
door hoihoihoi (reageren) op 21 januari 2012 om 16:57
Dit is een super saait
door leuk (reageren) op 8 oktober 2012 om 20:25
Alleen de werkwoorden revenir en devenir zouden er even bij moeten
door Bella (reageren) op 4 november 2013 om 14:55
Slechtste vervoegingen ooit. Schande dat dit online staat. écrire, recevoir, croire, vivre zijn alvast fout vervoegt en dat heb ik opgemerkt in een vluchtige kijk. Dus het staat waarschijnlijk vol fouten
door Celle (reageren) op 2 juni 2016 om 14:08
@Celle: jajaja je hebt gelijk ik zag ook veel fouten
door Ank (reageren) op 11 maart 2018 om 15:40
bedankt het helpt veel bij een moeilijke repetitie!!
door rudy (reageren) op 6 oktober 2016 om 17:15
Helemaal doorgelezen en vervolgens ken ik het door de herhaling
door anoniem (reageren) op 25 januari 2017 om 9:41
Futur van savoir is je saurai,... Futur van devotie is je devrai,...
door JustANerd (reageren) op 13 juni 2017 om 3:39
Fout: ipv ils venu, diemt men ils venus , elles venuees te zeggen. Gr: Diff
door Diffeomorfisme (reageren) op 23 juli 2017 om 9:22

Welkom!

Goed dat je er bent. Scholieren.com is de plek waar scholieren elkaar helpen. Al onze informatie is gratis en openbaar. Met een profiel kun je méér:

snel zien welke verslagen je hebt bekeken
de verslagen die je liket terugvinden
snel uploaden en reacties achterlaten

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Relevante video's